
Allah’s Naam Zij het begin, de Meest Barmhartige, de Meest Genadevolle
AHMADIAGODSDIENST (in het licht van de Islam)
Reeds in het begin van de Islam bestonden er loochenaars van de Heilige Profeet Mohammed, (vrede en zegeningen zij met Hem), zoals Walied ibn Mughiera, Abu Lahab en Zul khuwaisara en valse profeten zoals Musailama al Kazzab.
Ook waren er huichelaars, zoals Abdullah ibn Ubay.
Door het optreden van Abu Bakr al Siddieq en de inzet van Umar al Faroeq werden deze valse profeten en loochenaars van de Heilige Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), uitgeroeid. Na deze werden weer andere valse profeten en huichelaars geboren, maar de rechtgeleide navolgers van Abu Bakr al Siddieq en Umar al Faroeq lieten van zich horen en de ummah (totale moslim gemeenschap) bleek in staat het hoofd te bieden aan deze murtaddien (ketters;diegene, die het geloof hadden verworpen).
LOOCHENAARS VAN DE PROFEET (VREDE EN ZEGENINGEN ZIJ MET HEM).
De eerste groep tegenstanders van de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), betrof die van Abu Lahab, Abu Djahl en hun soortgenoten. Zij hebben de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), in woord en daad, thuis en op het slagveld, kortom overal en op allerlei manieren tegengewerkt en bestreden. Hun kufr (ongeloof) lag dus zeker niet verborgen. Behalve Allah, de Alwetende, en de Profeet, kenner van verborgen en toekomstige zaken, waren hun kwade bedoelingen ook duidelijk voor anderen. Zij worden in de Heilige Qur’aan als al Kaafiroen aangeduid, hetgeen betekent de loochenaars.
De tweede groep tegenstanders van de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), was die van Abdoellah ibn Ubay en zijn aanhangers. Deze groep wordt in de Heilige Qur’an al Munaafiqoen genoemd, hetgeen betekent de huichelaars. Het zijn degenen die de Islam door de ene deur binnenkwamen en er weer door een andere uitgingen.
De derde groep is die van de valse profeten, die reeds tijdens het aardse leven van de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), hun valse stem liet horen, zoals Musailama, die van de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), de naam kreeg van al Kazzaab, hetgeen betekent de grote leugenaar. Hij geloofde ook in de kalimah, gaf de azaan, deed de salaat, wendde zich naar de qiblah, slachtte zijn dieren ritueel, groette met as salaam alaikoem enz. maar toen hij aanspraken begon te maken op het profeetschap, verklaarde de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), hem ondanks dit alles toch voor leugenaar en kaafir samen met zijn aanhangers.
De Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), heeft duidelijk gezegd:
“Ik ben het zegel der profeten (gaataman nabiyyien);na mij zal er geen profeet meer komen.”
Musailama al Kazzaab werd ondanks het groeten en het lezen van de kalima toch tot kaafir verklaard door de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), omdat hij meende openbaringen te ontvangen van God.
Maar ondanks dat verkreeg de Grote Leugenaar toch een grote aanhang.
BESTRIJDEN VAN VALSE PROFETEN.
Intussen verliet de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), dit aardse leven en Abu Bakr al Siddieq volgde hem op als leider van de muslims. Het eerste wat deze khaliefa (opvolger) van de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), als plicht beschouwde en deed, was het bestrijden van Musailama al Kazzaab en zijn volgelingen. Musailama al Kazzaab werd gedood en zijn volgelingen (degenen, die ondanks zijn non-muslim verklaring toch in hem geloofden) werden vervolgd en gingen uiteen. Zo werd deze beweging of sekte of groep, of hoe het ook genoemd mag worden, uitgeroeid. Uit deze daad van Abu Bakr al Siddieq, de eerste oprechte khaliefa van de Profeet, vrede zij met Hem, blijkt duidelijk, dat het de plicht is van iedere muslim om iedereen die zich na de Profeet Muhammed, vrede en zegeningen zij met Hem, een profeet noemt, te bestrijden en diens volgelingen, indien zij zich toch nog muslim noemen, te vervolgen.
ANDERE VALSE PROFETEN.
Maar ook na Musailama bleven de valse profeten komen. Geen wonder, immers de Profeet, (vrede en zegeningen zij met Hem), had hun komst reeds voorspeld in de volgende hadieth.
“Er zullen in mijn gemeente dertig leugenaars geboren worden. Zij zullen allen beweren, dat zij profeten zijn; weest opgepast. Ik ben gaataman nabiyyien; Er zal geen profeet zijn na mij.” (tirmizie)
in Sahieh al Bukharie worden wij eveneens gewaarschuwd tegen de dertig valse profeten die in de gemeente van de muslims geboren zullen worden.
Zo kwamen er in de 14e eeuw van de Islam groepen van deze huichelaars en valse profeten in de toenmalige Britse kolonie India, waar zij hun doel onder bescherming van de Engelse regering gemakkelijk konden bereiken. Dat zou in Islamitische landen in die tijd waarschijnlijk veel moeilijker zijn geweest. Er stonden daar hervormers op die liever misvormers genoemd kunnen worden. Zij stichtten er bewegingen en of sekten, om maar niet te spreken van een nieuwe godsdienst en beweerden de Islam weer tot haar zuiverheid te hebben gebracht. Een van deze misvormers was Mirza Ghulam Qadiani, stichter van het ahmadiageloof, over wie er in deze pamflet nadere bijzonderheden zijn vermeld uit zijn eigen literatuur, opdat u wellicht van een dwaling omtrent deze persoon en zijn godsdienst gered moge worden.
Het is algemeen bekend, dat Mirza Ghulam Qadiani en zijn volgelingen door alle muslims van de wereld tot kaafirs (ongelovigen) zijn verklaard. De volgelingen van Mirza Ghulam Qadiani splitsen zich in twee groepen na zijn dood t.w. de qadianiegroep en de lahoriegroep. Eerstgenoemde gelooft, dat Mirza Ghulam Qadiani een profeet was, terwijl de andere niet in het profeetschap van Mirza Ghulam Qadiani, maar hem wel als mudjaddid of hervormer van de 14e eeuw en Beloofde Messias en Mehdi accepteert. Beide groepen noemen zich ahmadia, maar de muslims noemen hen beiden mirzai’s, mirzaieten of qadiani’s.
HET LEVEN VAN MIRZA GHULAM QADIANI
Mirza Ghulam Qadiani werd in 1839 of 1840 (hij wist het zelf niet precies) te Qadian in India geboren. Zijn vader heette Mirza Ghulam Murtaza en zijn grootvader Mirza Ataa Muhammad. Zijn moeder heette Chirag Bibi en zijn grootmoeder van vaderszijde Lad-doe.
Miirza Ghulam Qadiani was van Mongoolse afkomst. (zie:kitabul Bariy-yah blz. 134). Later werd hem geopenbaard, dat hij van Perzische afkomst was. (zie:arba’ien no. 2 blz. 17).
Hij zei ook van Israelische afkomst te zijn. (zie :Tohfa e Gaularwiy-yah blz.4)
Hij was ook een brahmaan(idem blz.216) en volgens blz.40 van dit zelfde boek van hem was hij van Chinese afkomst. (Misschien voelde hij zich daarom universeel profeet)
In zijn jeugd plaagde hij vogels te vangen en die te slachten met schelpen. (zie:sieratul Mahdi dl. 1 blz. 32). Eens moest er een kuiken geslacht worden en daar er op dat moment niemand anders dan Mirza Ghulam Qadiani in huis aanwezig was voor de vervulling van de taak, besloot hij het maar zelf te doen. Maar daar hij het met schelpen gewend was en niet met een mes, sneed hij zich heel diep in zijn vingers. Toen hij zijn vingers zag bloeden, liet hij de kuiken en mes los en schreeuwend stond hij op. (zie: sieratul Mahdi)
Zijn vrienden plaagden hem aan te sporen om uit de keuken van zijn moeder suiker te stelen, dat zij dan samen opaten. Toen hij weer eens stiekem, zijn zakken met suiker gevuld, uit de keuken kwam en zoals gewoonlijk er een handvol van in zijn mond stopte, alvorens zijn vrienden te hebben bereikt, stikte zijn adem hem bijna in de keel, want per vergissing had hij in plaats van witte suiker fijn gemalen zout gepakt. (zie: sieratul Mahdi dl 1 blz. 226)
Geen wonder, dat hij leed aan suikerziekte.
Mirza Ghulam Qadiani leerde het Arabisch en het Perzisch van Molvi Fazl Ahmad, molvi Fazl Ilahi en Molvi Gul Hasan Shah. Tijdens zijn dienstperiode in het distrikt Sialkot las hij ook enkele Engelse boeken en legde hij in die zelfde tijd ook zijn advocaatsexamen af, doch zonder succes. (Misschien ontving hij daarom in tegenstelling tot de ware profeten van God ook openbaringen in het Engels. Zie: haqieqatoel wahie blz. 303.)
Zijn eerste huwelijk in 1852 of 1853 schonk hem twee zonen t.w. Mirza Sultan Ahmad en Mirza Fazl Ahmad Qadiani.
Toen het door Mirza Ghulam Qadiani zelf voorspelde huwelijk tussen hem en Muhammadi Beegum (zie blz.20) niet tot stand kwam, verstootte hij in 1871 zijn eerste vrouw, omdat hij het vermoeden had, dat deze het voorspelde huwelijk had doen mislukken. Hij verjoeg haar uit huis samen met zijn twee zonen en had verder geen kontakt met hen. Zelfs een nicht van Muhammadi Beegum, die getrouwd was met een van de zonen van Mirza Ghulam Qadiani moest zijn zoon verlaten, omdat zij volgens deze niet had meegewerkt aan de totstandkoming van het huwelijk tussen Mirza Ghulam Qadiani en de door hem zo begeerde 15 jarige Muhammadi Beegum.
Zijn tweede huwelijk vond plaats in 1884 in Delhi. De tweede vrouw van Mirza Ghulam Qadiani schonk hem 10 kinderen. (zie: sieratul mahdi)
Behalve deze twee huwelijken dacht Mirza Ghulam Qadiani ook nog getrouwd te zijn met enkele vooraanstaande vrouwen van Qadian, zoals Muhammadi Beegum. Deze was een dochter van zijn nicht Amrunnisa (een dochter van Mirza Ghulam Qadiani’s oom van vaderszijde). Hij deed tal van pogingen om het huwelijk tussen hem en Muhammadi Beegum tot stand te krijgen, maar Allah verkoos hem te schande te maken en deed al zijn pogingen mislukken.
In ahmadia boeken is het bovenstaande alsvolgt vermeld. De vader van Muhammadi Beegum ging naar Mirza Ghulam Qadiani om hem een overdrachtsakte van een perceelland te laten ondertekenen. Mirza Ghulam Qadiani gaf te kennen, dat hij de zaak eerst zou overwegen alvorens een besluit te nemen. Na dat te hebben gedaan stelde hij de eis, dat deze als tegenprestatie zijn dochter aan hem moest uithuwelijken. Om zijn eis kracht bij te zetten, verklaarde Mirza Ghulam Qadiani dat hem was geopenbaard om naar de hand van Muhammadi Beegum te vragen en bij weigering door haar vader zou deze door God gestraft worden.
OPENBARINGEN BETREFFENDE MIRZA GHULAM QADIANI’S ROMANCE
In Mirza Ghulam Qadiani’s boek “Aina Kamaalaati Islam” blz.572 lezen wij het volgende.
“God heeft aan mij geopenbaard om u naar de hand van uw oudste dochter te vragen en u te zeggen om mij eerst als schoonzoon te accepteren, opdat u verlicht moge worden door mijn licht.
En het is mij reeds opgedragen u het perceel te schenken, dat u wilt.
Ja, u zult zelfs meer krijgen dan u vraagt en allerlei andere geschenken zult u krijgen.
Maar de eis is, dat u uw oudste dochter aan mij uithuwelijkt. Als u dit accepteert, zal ik ook accepteren.
En als u niet instemt, weest dan opgepast, want God heeft mij dit gezegd. Indien iemand anders trouwt met dit meisje zal dat ongeluk betekenen voor u en voor haar.
Onheil zal u treffen en u zult uw weigering met de dood moeten bekopen.
Binnen korte tijd zal u samen met degene die met haar trouwt doodgaan. Dat is wat God heeft gezegd. Doe wat u moet doen. Ik heb u reeds vermaand.”
Aldus een “openbaring” van God aan Mirza Ghulam Qadiani. De vader van Muhammadi Beegum ging boos weg.
ANDERE OPENBARINGEN
Verder werd aan Mirza Ghulam Qadiani geopenbaard:
“En zij vragen u of dit waar is. Zeg, ja. Bij mijn Heer, dit is waar. En gij zult het niet meer kunnen weerhouden. Ik heb haar zelf aan u uitgehuwelijkt. Niemand heeft de kracht om mijn besluiten te wijzigen. (Zie: Tablieghe risaalat dl.2 blz.255).
VOORSPELLINGEN ALS BEWIJS VOOR ZIJN VALSHEID
Mirza Ghulam Qadiani voorspelde, dat het huwelijk tussen hem en Muhammadi Beegum tenslotte tot stand zou moeten komen, omdat het hem door God was geopenbaard. Indien dit huwelijk niet gerealiseerd zou worden, mocht men hem voor leugenaar (al Kazzaab) aannemen. (zie: haashya Andjaam atham blz. 31)
In deze uitdaging van Mirza Ghulam Qadiani aan de totale muslim gemeenschap leed hij een vernederende nederlaag, daar zijn voorspelling nooit uitkwam en hij als een leugenaar een schandelijke dood vond. Zijn vurige begeerte naar Muhammadi Beegum bleef onbeantwoord.
DE DOOD VAN MIRZA
Mirza leed sinds zijn jeugd aan een chronische diarree. (Zie het boek “mirza Ghulam Ahmad” blz.36, uitgegeven te Paramaribo door de stichting al Qalam van de S.I.V. A.A.I.I.).
Dat betekent dus dat hij onophoudelijk diarree aanvallen kreeg. In het boek “Sieratul Mahdi” staat, dat Mirza het slachtoffer was geworden van een zeer besmettelijke en gevaarlijke ziekte, die in die tijd ongeneeslijk was nl. cholera.
Deze ziekte werd door mirza altijd uitgelegd als het gevolg van Allah’s toorn op Zijn tegenstanders, hetgeen hem nu zelf getroffen had. Als iemand zijn hele leven aanvallen van diarree bleef krijgen, waar zou hij dan het grootste deel van zijn leven hebben doorgebracht? In een moskee, in zijn slaapkamer of in de w.c.? En als iemand tijdens een diarree aanval de dood vindt, zoals S.I.V. zelf schrijft, zal dat dan op zijn bed zijn geweest of in de w.c.?
Hoe kan een dergelijk persoon als mudjaddid, Beloofde Messias en Mehdi erkend worden?
Jammer, dat tegenwoordig enkele intellectuelen, waaronder ook medici, moeite hebben om dat te begrijpen.
KONKLUSIE
Kan een mudjaddid, profeet of religieuze leider op zo’n manier door god vernederd en te schande gemaakt worden? De conclusie is, dat Mirza Ghulam Qadiani nimmer noch het een, noch het ander geweest kan zijn.